Haat ik de liefde of heb ik de haat lief?

Met enige tegenzin – want een gedicht mag zelf bezinken en zich persoonlijk uitwerken – wil ik bij uitzondering toch een kleine toelichting geven op het gedichtje ‘Boosaardig nageslacht‘:

Liefde
Ik haatte haar
Hield haat vast
Als een recht
Werd haar slaaf
Kreeg haar lief
En zij baarde
Vruchtbaar als zij was
Boosaardig nageslacht

Aan enkele reactie te merken dachten sommige lezers dat ik het in dit gedicht over een persoon had. Dat zou het inderdaad een boosaardig gedichtje maken, maar is het natuurlijk niet. De oplettende lezer had gezien dat het hier gaat over de verpersoonlijking van ‘haat’. Het liefhebben van haat.

Het idee hiervoor begon met een paradoxaal zinnetje dat in mijn hoofd speelde: haat ik de liefde, of heb ik de haat lief? Deze had ik een tijdje geleden opgeschreven en speelde ik in gedachten wat mee. Ik moest hierbij denken aan het begrip ‘destructief recht’ uit de contextuele benadering, die zegt dat mensen in onbalans ‘rechten’ ontlenen aan slechts wat hen overkomt. Bijvoorbeeld: mijn baas doet lelijk tegen mij, dus ik heb het recht mij vanavond helemaal vol te gieten met drank of de koelkast leeg te eten. Zelfs al weet ik dat het slecht is voor mij. De destructie van de boosheid keert zich in dit geval tegen jezelf. Het is in je boosheid jezelf liefhebben. Het heeft vaak te maken met het niet goed (kunnen) aangeven van je grenzen.

In het gedichtje zie je de boosheid dan ook terugkeren. Het blijft bij je, je gaat er van houden, het wordt één met jezelf. En het vermeerderd boosheid en haat in je leven.

Uit andere reacties bleek ook een geestelijke insteek te kunnen worden gemaakt. Een volgende laag. Het is een leven zonder God – want Hij ís liefde. En zonder Zijn liefde zijn wij slaaf van de zonde. ‘Het is de doodsteek voor alle humanisme zonder God. Zo staan wij en ons nageslacht spiernaakt voor Hem’ (lezersreactie). Omarm je de duisternis zal deze zich uitbreiden in je leven. Zelfs om de haat te kunnen liefhebben is God nodig. Buiten Hem is er niets, zelfs geen leven.

Maar God doorbreekt dit in zijn liefde en door zijn liefde. God ís liefde. ‘Dan worden we van mensen met een boze, slechte aard, mensen die vervult worden met een Goede Geest. Die met onze zonden en falen bij Hem terecht kunnen en weer verder mogen gaan!’ (lezersreactie).

Kortom; het gedicht wil een oproep zijn om boosheid en haat los te laten. Deze niet meer lief te hebben, te koesteren – wat je misschien niet eens doorhad. Maar je liefde te richten op de Liefde. Gevuld te worden door Zijn Geest, met de vruchten die dáárbij horen: liefde, blijdschap, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, geloof, hulpvaardigheid, zelfbeheersing (Gal.5:22).

Wat dan zal volgen is beschreven in de prachtige poëtische taal van Paulus (1 Korintiërs 13 overgenomen uit de BasisBijbel):

Beschrijving van echte liefde

Stel dat ik de talen van de mensen en van de engelen kon spreken. Maar als ik dat zonder liefde deed, was het alleen maar lawaai. Stel dat ik kon profeteren, al Gods verborgen plannen kende, alles wist wat er te weten valt en zoveel geloof had dat ik bergen kon verplaatsen. Maar als ik dat zonder liefde deed, stelde ik niets voor. Stel dat ik alles wat ik had weggaf aan de arme mensen, en stel dat ik er trots op kon zijn dat ik mijn lichaam opofferde vanwege mijn geloof in de Heer. Maar als ik dat zonder liefde deed, had ik er niets aan.

De liefde is geduldig en vriendelijk. Liefde wordt niet jaloers. Liefde schept niet op en vindt zichzelf niet vreselijk belangrijk. Liefde zegt of doet geen onaardige dingen en denkt niet alleen maar aan zichzelf. Liefde raakt niet verbitterd. Liefde vergeeft als een ander iets verkeerds heeft gedaan. Liefde is niet blij met oneerlijke dingen, maar met de waarheid. Liefde vertelt fouten van andere mensen niet door, denkt altijd het beste van een ander en blijft altijd geduldig. De liefde schiet nooit tekort en verdwijnt nooit.

Maar profetieën zullen op een dag niet meer nodig zijn. Talen van de Geest zullen er niet meer zijn. Kennis zal onbelangrijk worden. Want nu zijn onze kennis en ons profeteren nog onvolmaakt. Maar als het volmaakte gekomen zal zijn, worden alle onvolmaakte dingen weggedaan. Je kan het hiermee vergelijken: Toen ik nog een kind was, praatte ik als een kind, reageerde ik als een kind, dacht ik als een kind. Nu ik een man ben geworden, heb ik de kinderlijke manieren van doen weggedaan. Nu is het nog net alsof we in een beslagen spiegel kijken en niet precies weten wat we zien. Maar straks zullen we God in de ogen kijken. Nu ken ik God nog niet echt. Maar dan zal ik God werkelijk kennen, net zoals Hij mij werkelijk kent.

We hebben dus deze drie dingen: geloof, hoop en liefde. Maar de belangrijkste van deze drie is de liefde.

nv-author-image

Erwin de Ruiter

"De ene mens tracht zich uit te drukken in boeken, een ander in laarzen; beide falen waarschijnlijk." - G.K. Chesterton

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *